|
Cultuur |
|
In elke samenleving
bestaat er wel op een of andere manier aandacht voor ontspanning. En zo
was dat rond het begin van de jaartelling bij de Romeinen ook. |
|
|
|
De gewone bevolking was aangewezen op de diverse herbergen die in het algemeen niet erg goed stonden aangeschreven. De omgangsvormen waren er bedenkelijk, de wijn was er slecht, er werd met de rekening geknoeid en vaak deden die herbergen ook dienst als bordeel.
Toen de Romeinen
uit Nijmegen vertrokken was het Valkhof nog steeds de plaats waar
burgers voor ontspanning terecht konden. |
|
|
|
Toen Nijmegen in
1230 stadsrechten verwierf kwamen er meer feesten, ook voor de
burgerbevolking. Er waren allerlei soorten schuttersfeesten waar meestal
te veel bier bij werd gedronken. Koffie en thee waren in die tijd nog
niet bekend. Bier was zelfs een gebruikelijke drank bij het ontbijt,
middag- en avondmaal. Doorgaans had het bier wel een laag
alcoholpercentage en waren er meerdere soorten tafelbieren: dikbier,
dunbier, kuitbier, Hamburger bier en een aantal Nijmeegse soorten zoals:
molbier, het jopenbier, het mombier en het scherrebier.
In 1660 verscheen thee en koffie op de markt, dat via Engeland
werd geïmporteerd en vooral verkrijgbaar was in speciale thee- of
koffiehuizen. |
|
|
In de
loop der tijd ontstonden er meer volksvermaken en was de kermis al vanaf
de middeleeuwen het feest bij uitstek. Tot het einde van de negentiende
eeuw was de kermis meer een soort jaarmarkt en bestond het amusement uit
eten en drinken. |
|
|
|
|
Toen de katholieken eind negentiende eeuw in Nijmegen weer de boventoon kregen, kwam ook carnaval weer in beeld. In het begin alleen in besloten kring o.a. in Burgerlust, De Harmonie en De Vereeniging. Later werd carnaval steeds meer een volksfeest in de openbaarheid. Einde achttiende eeuw besloot men om bij het organiseren van evenementen de bevolking er actief bij te betrekken. Bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina waren diverse spelletjes, zoals ringsteken en zaklopen erg populair en besloot men dat dergelijke spelletjes een vast onderdeel van de stedelijke festiviteiten moesten worden.
Theater kende men ook al, dat alleen maar bestond uit zogenaamde
wagenspelen van rondtrekkende gezelschappen, waarvan Mariken van
Nieumeghen wel de bekendste is. Vanaf einde achttiende eeuw traden er toneelgezelschappen op in de stadsmanege op het Mariënburg die een grote populariteit genoot, vooral in betere kringen. Naast toneel werd er ook al gemusiceerd, in 1382 maar door een enkeling. Vanaf 1427 werden er muzikanten in stadsdienst aangenomen die naast hun salaris ook gratis kleding kregen. Ook werden zij op stadskosten voorzien van instrumenten en traden zij op bij feesten, maaltijden, processies, optochten, bezoeken van vorsten en bliezen zij victorie na een overwinning. Daarnaast deden ook rondreizende speellieden de stad aan. |
|
|
|
Het culturele leven kreeg rond 1800 een nieuwe impuls door de oprichting
van de sociëteit De Vereeniging aan het Keizer Karelplein, die in 1915
gesloopt werd om plaats te maken voor het huidige concertgebouw.
Vanaf de negentiende eeuw stond cultuur steeds meer in de belangstelling. De betere klasse zocht haar vertier steeds meer in deftige sociëteiten, zoals de hier boven genoemde De Harmonie die in 1812 werd opgericht. |
|
In 1818 werd een amateur-gezelschap opgericht, dat later ‘Stads Concert’ heette en zich toelegde op de uitvoering van grote muziekwerken. Toen op 15 oktober 1839 de nieuwe stadschouwburg in de Burchtstraat werd geopend veranderde er veel, gezien dat de centrale plaats werd voor toneeluitvoeringen, ondanks dat nog tot ver in de negentiende eeuw er nog toneelgezelschappen waren die met hun eigen tenten kwamen. Ook werd de stadsschouwburg voor muziekuitvoeringen gebruikt.
|
|
|
De Harmonie Concordia, opgericht in 1844, was zeer bekend en werd als
stedelijk muziekkorps erkend, waardoor de muziekanten uit gemeentelijke
subsidies betaald werden.
|
|
|
In 1896 kwam een geheel nieuwe vorm van ontspanning en begon in Nijmegen
op de kermis de film. De eerste Nijmeegse bioscoop werd in 1908 in de
Grotestraat geopend. Rond de eeuwwisseling ontstonden er veel katholieke, maar ook socialistische verenigingen voor sport, spel, toneel en muziek.
Zeer bekend was het in 1859 opgerichte Nijmeegsch Mannenkoor dat in 2009
haar 150-jarig bestaan vierde. Het straatleven in de buurten, waar men dicht op elkaar woonde, kreeg zijn eigen straatcultuur. Door de dichte bebouwing met de kleine een-kamer-huisjes, woonetages en in vervallen staat verkerende herenhuizen dreven de mensen de straat op voor het zoeken naar vertier. In de gassen, straten en op pleinen was vaak wat te doen. De sfeer die daar heerste was niet altijd om trots op te zijn. Zo waren er vechtende soldaten, spiritusdrinkers en prostituees tussen het normale straatleven te vinden dat bestond uit kaaisjouwers, straatmuzikanten, ventende visvrouwen, wachtende reizigers en spelende kinderen.
In de buurtkroegen en tapperijen klonk muziek en vanaf 1918 was
er voor het eerste een straatorgel van Pupke Maas te bewonderen. |
|
|
|
De wat beter gesitueerden genoten op hun manier van de buitenlucht.
|
|
Vanaf de twintigste eeuw is het cultuuraanbod steeds meer toegenomen en is er voor ieder wat wils, zoals filmzalen, muziekpodia, theaters, musea, bibliotheken en aanbieders van workshops en cursussen. Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan Kunst op Straat, die het kunstbezit in de openbare ruimte toegankelijk maakt. Dat Nijmegen een evenementenstad bij uitstek is, bewijst de Vierdaagse. Maar er is veel meer, Nijmegen heeft een grote variëteit in theaters, bioscopen en muziek- & cultuurpodia. Naast de stadsschouwburg en het prachtig gerenoveerde concertgebouw De Vereeniging zijn er in het moderne 'art-plex' LUX (Mariënburg) en daarbuiten kleine podia, zoals de Lindenberg, met aandacht voor eigentijds theater, moderne muziek, literatuur en debat. Naast de drie grote bioscopen toont LUX bijzondere filmproducties.
Hieronder een paar cultuurtips: |
|
|
|
|
|
|||
|
|
|
||
|
|
|
|
|